Tina Turner stapte midden in de nacht uit een limousine met 36 cent op zak en haar bont en blauw geslagen gezicht. Ze liet zestien jaar huwelijk met Ike Turner achter zich, een muzikaal imperium dat op twee stemmen was gebouwd en een leven dat, naar alle verhalen te oordelen, al geschreven was.
Ze was 36 jaar oud. Ze had geen huis, geen contract en geen band. Ze had één ding: het besluit nooit terug te gaan.
De jaren die volgden waren niet glorieus. Ze zong in casino’s in Las Vegas, verscheen in televisieprogramma’s die niemand zich herinnert en hield haar carrière door pure koppigheid bij elkaar, terwijl de wereld haar afschreef.

In 1981 vertelde ze, met Roger Davies als haar manager, voor het eerst publiekelijk wat ze had meegemaakt. Over die zestien jaar zei ze: “Ik woonde samen met een man van wie ik wist dat ik nooit gelukkig met hem zou kunnen zijn. Het was een marteling”. Ze zei het niet om medelijden te vragen. Ze zei het om de ene deur te sluiten en een andere te openen. Drie jaar later verscheen Private Dancer. Tien miljoen exemplaren, meerdere Grammy’s, en een 44-jarige vrouw werd de grootste ster ter wereld, dit keer met alleen haar naam op de hoes. De wereld noemde haar de Koningin van de rock-‘n-roll. De wereld nam haar twee keer op in de Hall of Fame, juichte haar toe in het Kennedy Center en nam afscheid van haar met een wereldtournee waarmee hele stadions uitverkocht raakten. Maar haar ware triomf was niet de kroon. Het was haar besluit, met 36 cent en haar gehavende gezicht, dat haar verhaal nog niet voorbij was. Hoeveel mensen geloven vandaag dat ze geen pagina’s meer over hebben, zonder te beseffen dat de belangrijkste nog geschreven moet worden.

