Hij was twee jaar oud en had een darmziekte die zijn biologische ouders zich niet konden —noch wilden— veroorloven. Mario Balotelli Barwuah, de zoon van Ghanese immigranten geboren in Palermo, Italië, werd overgedragen aan de jeugdzorg terwijl zijn bloedverwanten verdergingen met hun leven. Francesco en Silvia Balotelli adopteerden hem, gaven hem hun achternaam en daarmee een tweede kans.

Mario groeide op, en het bleek dat hij een genie met de bal was. Op zijn 17e maakte hij zijn debuut voor Inter Milan met contracten die hem naar wereldwijde roem katapulteerden. Precies op dat moment —niet eerder, en ook niet tijdens de jaren van ellende— doken zijn biologische ouders weer op. Ze deden dat op de nationale televisie, huilend voor de camera’s, zeggend dat ze hem misten en eisend dat ze weer deel van zijn leven mochten uitmaken.

Balotelli hield niets achter: “Als ik geen beroemde voetballer was, als ik een eenvoudige arbeider was, zouden ze dan nog steeds mijn ouders willen zijn? Het antwoord is nee. Ik heb maar één familie: degene die voor mij heeft gezorgd. De anderen zijn alleen uit op mijn geld”. Een zin die geen uitleg nodig heeft — en die je dwingt je af te vragen hoeveel mensen in stilte met dezelfde last rondlopen.
