1885. Een Europese koning ondertekent een document en wordt van de ene op de andere dag de persoonlijke eigenaar van een gebied dat 76 keer groter is dan België. Leopold II zette nooit voet in Congo, maar vanuit zijn paleis ontwierp hij een van de bloedigste systemen van uitbuiting die Afrika ooit heeft gekend.

De wereldwijde vraag naar rubber dreef de productiequota op. Mannen moesten de jungle in trekken om latex te winnen; vrouwen en kinderen werden gegijzeld om naleving af te dwingen. Wie het quotum niet haalde, betaalde met een platgebrand dorp, met ontvoeringen, met verminkingen. Afgehakte handen werden het handelsmerk van terreur: soldaten toonden ze als bewijs dat ze geen kogels hadden verspild.

Niemand kent het exacte aantal, maar historici spreken van tot 10 miljoen verloren levens tussen 1885 en 1908, door rechtstreeks geweld, hongersnood, ziekte en de daling van de geboortecijfers. Met die rijkdom bouwde Leopold monumenten en musea in België. Een daarvan, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, erkent nu dat het werd opgericht als propaganda om de wereld de leugen van een succesvol project te verkopen.

