Op 26 december 2004 was Deborah Garlick het eiland Phi Phi in Thailand aan het fotograferen toen de dodelijkste tsunami van de eeuw haar trof. Haar lichaam werd vier maanden later gevonden en naar Groot-Brittannië gerepatrieerd. Het leek alsof er niets meer te vinden was.

Elf maanden na de tragedie haalden de Thaise autoriteiten het filmrolletje uit haar camera terug. Tegen alle logica in had het rolletje de overstroming onbeschadigd overleefd. De beelden toonden Deborah terwijl ze over het eiland liep en van de zon genoot, zich niet bewust van wat eraan kwam. Het waren haar laatste uren in leven, beeld voor beeld vastgelegd.

Haar moeder, Margaret Garlick, reisde met die foto’s in de hand naar Thailand. Ze gebruikte ze als een kaart om exact dezelfde route te volgen die haar dochter die dag had afgelegd: dezelfde straten, dezelfde hoeken, dezelfde landschappen. Ze zag met haar eigen ogen het laatste wat Debbie zag voordat het water kwam. Een daad van liefde die even nauwkeurig als verontrustend was, op de precieze grens tussen verdriet en obsessie.
