Ze zeggen dat voetbal de enige plek is waar goden in het openbaar oud worden. Cristiano Ronaldo wist dat altijd al, en daarom bleef hij spelen als iemand die tegen de klok vocht met kopballen, met sprints, met doelpunten die hij niet langer nodig had, maar die zijn ziel nog altijd nodig had.
In Dallas, onder het dak van AT&T Stadium, doofde de droom langzaam uit, zoals de dingen uitdoven waar je van houdt: zonder schandaal, met een doelpunt van Merino in de negentigste minuut dat Portugal de laatste deur naar het WK ontnam. Spanje, de eeuwige buur, de eeuwige rivaal, won met de kleinst mogelijke marge, één tegen nul, en met dat doelpunt sloot het ook een tijdperk van het voetbal af.
Cristiano had gezegd, lachend om niet te hoeven huilen: “Ik hoop dat het niet mijn laatste wedstrijd is, ik hoop dat ze me blijven afmaken”. Maar het lot gunt niet altijd herkansingen. Het was voorbij. De droom van de beker die hij nooit had, was voorbij, de enige die hem nog ontbrak, degene die geen enkel doelpuntenrecord voor hem kon kopen.
En toen gebeurde wat er met de groten gebeurt: hij vertrok niet boos, hij gaf de scheidsrechter of de wind niet de schuld. Hij liep naar de tribunes, groette één voor één degenen die twintig jaar lang voor hem hadden geschreeuwd, en daar, voor ieders ogen, zonder zich voor zijn tranen te schamen, huilde hij. De jongen uit Madeira die zichzelf tot een reus had gemaakt, huilde, de man die al wist dat de tijd ook wedstrijden wint, huilde.
Heel Portugal applaudisseerde voor hem toen hij vertrok. Ze applaudisseerden niet voor een nederlaag: ze applaudisseerden voor een heel leven uitgespreid op het gras, de slotzin van een gedicht dat meer dan twee decennia geleden begon en dat vandaag, eindelijk, in Dallas, zijn laatste regel vond.
