Het maakt niet uit hoe vaak je adelaars in documentaires of op foto’s hebt gezien, want niets bereidt je voor op het moment waarop een van deze dieren recht voor je staat, met klauwen zo groot als een mannenhand en een spanwijdte die meer dan twee meter kan bedragen, een aanwezigheid die je doet begrijpen waarom de volkeren uit de oudheid hen als goden aanbaden en waarom ze worden beschouwd als de koninginnen van de hemel.

De eerste keer dat je een steenarend van dichtbij ziet, besef je dat het geen mooi dier is, maar een perfect ontworpen jachtmachine, met een gebogen snavel die eruitziet als een stalen haak, ogen die tot in je ziel doordringen en veren die een gespierd, aerodynamisch lichaam bedekken, een wezen dat je niet hoeft te vrezen omdat zijn loutere aanwezigheid al respect afdwingt.

Wanneer de adelaar je met zijn gele ogen aanstaart en langzaam zijn kop draait om je te volgen, begrijp je dat je niet tegenover zomaar een vogel staat, maar tegenover een roofdier dat al millennia de hemel beheerst, en even voel je je klein, kwetsbaar en dankbaar dat zijn blik niet die van een jager is die op zoek is naar een prooi.

