Dr. Masaichi Fukushi was geen gewone verzamelaar. Hij was patholoog, kende de anatomie met chirurgische precisie en had een obsessie die hem onderscheidde van elke andere kunstkenner in Japan: hij wilde irezumi-tatoeages bewaren voordat ze voorgoed onder de grond verdwenen.

Het probleem was dat tatoeages niet bestaan zonder de huid die ze draagt. Fukushi begreep dat beter dan wie dan ook. Daarom ontwikkelde hij een methode die even systematisch als verontrustend was: hij identificeerde mensen met uitzonderlijke lichaamsontwerpen, financierde in sommige gevallen het volledige tatoeageproces en legde een overeenkomst met hen vast — zodra ze stierven, zou hun huid in zijn collectie terechtkomen. Tientallen jaren van dat stille werk brachten meer dan 100 monsters van bewaarde menselijke huid bijeen, veel daarvan met volledige lichaamsbedekkingen die de romp, armen en benen bedekten met draken, koikarpers en figuren uit de Japanse folklore.

Vandaag blijft een groot deel van die collectie bewaard in Japan. Ze omvat stukken die verbonden zijn met de Yakuza-traditie, uit een tijd waarin irezumi tegelijk een verfijnde kunstvorm en een teken van sociaal stigma was. Wat Fukushi opbouwde is een historisch archief zonder gelijke — al is de vraag waar culturele bewaring eindigt en waar iets dat moeilijker te benoemen is begint nog altijd zonder duidelijk antwoord.
