35 meter boven de grond in het regenwoud van West-Papoea, Indonesië, bouwt de Korowai-stam haar huizen in de boomtoppen. Geen cement, geen industriële gereedschappen: alleen bamboe, lianen en palmbladeren, ondersteund door gigantische vijgenbomen.

De hoogte is geen gril. Ze beschermt hen tegen plotselinge overstromingen, slangen, wilde zwijnen, ziekteverspreidende muggen en, volgens hun overtuigingen, tegen de ‘hacuas’, kwade geesten die zich op grondniveau ophouden. Maar het is ook een teken van macht: hoe hoger het huis, hoe groter het prestige van de clan. De huizen van de leiders worden hoger gebouwd dan de andere.

Hun eerste contact met de buitenwereld vond pas plaats in de jaren 1970. Vandaag de dag leven van hun ongeveer 3,000 leden er nog maar tussen de 150 en 200 in traditionele nederzettingen met boomhutten. De rest van de mensheid heeft eeuwenlang naar boven gebouwd. De Korowai deden dat al vóór iedereen anders.
