Jacob Skidmore merkte het voor het eerst toen hij 8 of 9 jaar oud was, op een begrafenis. Terwijl iedereen om hem heen huilde, voelde hij niets. Het was geen voorbijgaande ongevoeligheid: het was het eerste teken dat zijn geest op een radicaal andere manier werkte.
Skidmore, op sociale media bekend als ‘The Nameless Narcissist’, kreeg op zijn 16e de diagnose narcistische persoonlijkheidsstoornis (NPD). Tegenwoordig spreekt hij openlijk over zijn aandoening van binnenuit, en wat hij beschrijft ontmantelt de meest herhaalde mythe over narcisme: dat het zelfliefde is die tot het uiterste is doorgevoerd. In werkelijkheid, legt hij uit, is het precies het tegenovergestelde. De grootheidswaan die de stoornis kenmerkt, komt niet voort uit te veel van jezelf houden, maar uit een brute paradox: ‘Ik haat mezelf, maar ik ben beter dan iedereen.’ Er is geen empathie voor zichzelf, er is geen innerlijke rust. Alleen een permanente hyperbewustheid van hoe anderen hem zien en een dwangmatige behoefte om de eerste plaats in te nemen.
De klinische psychologie bevestigt wat Skidmore vanuit zijn ervaring beschrijft: NPD wordt gekenmerkt door een onredelijke houding van superioriteit, een buitensporige zoektocht naar bewondering en een echte moeilijkheid om de gevoelens van andere mensen te begrijpen. Een geest die van buitenaf zelfverzekerd lijkt, maar van binnen leeft in voortdurende angst om die superioriteit niet te verliezen.
