Er zijn vaders die eenmaal per jaar het graf van hun kind bezoeken. Er zijn anderen die bovendien halt houden, hun telefoon tevoorschijn halen en dezelfde pose aannemen die ze vroeger samen aannamen, toen lachen nog mogelijk was.
We weten niet met volledige zekerheid elk detail van dit specifieke verhaal dat rondging onder de naam van een vader en zijn dochter. Maar we weten wel, omdat we het in soortgelijke verhalen steeds opnieuw hebben gezien, wat dat gebaar betekent: een vader die weigert de tijd de exacte positie van een hand, de schuine stand van een hoofd, de glimlach die er niet meer is maar die hij met zijn lichaam blijft uitbeelden, te laten uitwissen.

Het is geen verdriet dat op die herhaalde foto’s te zien is. Het is koppigheid. Het is liefde die weigert zich aan de afwezigheid over te geven.
Bij elke herdenking keert die vader terug naar dezelfde plek, gaat op dezelfde plaats staan en doet precies wat hij vroeger deed toen ze nog naast hem kon lachen. De grafsteen verandert in de loop der jaren van kleur. De pose verandert nooit.
Er is rouw die in stilte wordt gedragen en rouw die in foto’s wordt gedragen. Dit is een van die laatste: een manier om de wereld en haar te vertellen dat ze nog steeds op de foto staat, ook al is ze niet meer in leven.
Het verlies van een kind kent geen genezing. Maar er zijn manieren om hen te eren die sterk lijken op de liefde die nooit is verdwenen.
