Op 16 augustus 1960 steeg de Amerikaanse luchtmachtkapitein Joseph Kittinger op vanuit New Mexico, hangend onder een enorme heliumballon. Zijn bestemming was 31.333 meter boven zeeniveau, een hoogte waar de atmosfeer extreem ijl is en de hemel er bijna zwart begint uit te zien.

Kittinger reisde in een kleine gondel onder druk als onderdeel van het project Excelsior, een programma van de Amerikaanse luchtmacht dat parachutesystemen bestudeerde voor piloten die op grote hoogte een vliegtuig zouden moeten verlaten. Tijdens de klim kreeg hij een probleem met het drukregelingssysteem van zijn pak, waardoor zijn rechterhand opzwol, maar hij besloot door te gaan.

Toen hij de geplande hoogte bereikte, opende hij het luik van de capsule en wierp hij zichzelf in de leegte. Tijdens het eerste deel van de afdaling viel hij door een atmosfeer die zo ijl was dat die nauwelijks weerstand bood. Hij bereikte een snelheid van ongeveer 988 km/h, dicht bij de geluidssnelheid, voordat hij dichtere lagen van de atmosfeer binnenging.

Bij de sprong liep hij ook een enorm risico om tijdens de val de controle te verliezen. Om dit te voorkomen, droeg Kittinger een kleine stabilisatieparachute die hem in de juiste positie moest houden. Het systeem werkte en na enkele minuten afdalen opende hij zijn hoofdparachute op een veel lagere hoogte.

Kittinger landde in de woestijn van New Mexico nadat hij meer dan vier minuten was afgedaald vanaf de rand van de stratosfeer. Met die sprong vestigde hij drie records—hoogte, duur van de vrije val en snelheid—die tientallen jaren standhielden.

Het beeld van Kittinger, hangend boven de aarde, werd een van de meest gedenkwaardige foto’s van verkenning op grote hoogte.

Er was geen vliegtuig, berg of toren onder zijn voeten: alleen een capsule boven hem, een parachute op zijn rug en meer dan 31 kilometer lucht tussen zijn lichaam en de grond.
