N’Golo Kanté speelde geen enkele minuut op het WK. Niet één.
Hij werd opgeroepen. Hij stond op de lijst. Hij reisde met het nationale team mee. En hij bleef daar, zittend, kijkend hoe Frankrijk zonder hem speelde.

Hij was geen opvulling. Hij was degene die jarenlang voor tien liep, degene die in 2018 een WK won als de stille motor achter alles, degene die nooit om de schijnwerpers vroeg omdat het werk op zich al beloning genoeg was.
Thierry Henry zei het onomwonden: Kanté verdiende respect.

Die zin doet pijn omdat hij klopt. Hij vraagt niet om roem of ovaties. Hij vraagt om het absolute minimum: respect. En dat kreeg hij niet.
Deschamps nam zijn beslissing. Hij zette hem niet in. En niemand die Kanté jarenlang alles heeft zien geven voor dat shirt kan begrijpen waarom.
Kanté schreeuwt niet. Dat heeft hij nooit gedaan. Hij klaagde ook niet. Hij vertrok zoals hij altijd op het veld leefde: stil, zonder schandalen, met die waardigheid die meer pijn doet dan welke toespraak dan ook.
Maar wat ze hem hebben aangedaan is oneerlijk. En het hardop zeggen is het minste wat hem toekomt.
Er zijn manieren om een hoofdstuk af te sluiten. Dit was er niet één van.
