Iedereen wist dat Mount St. Helens kon uitbarsten, maar er was één man die niemand kon overtuigen om te vertrekken. Harry R. Truman was 83 jaar oud en woonde al meer dan een halve eeuw naast de vulkaan in de staat Washington. Daar runde hij de Mount St. Helens Lodge, bij Spirit Lake, en deelde hij zijn huis met 16 katten die hij evenmin wilde achterlaten.
Sinds maart 1980 vertoonde Mount St. Helens steeds zorgwekkendere tekenen: aardbevingen, stoomexplosies, as en toenemende vervorming aan een van zijn flanken. Wetenschappers en autoriteiten waarschuwden voor het gevaar en het gebied begon te worden geëvacueerd. Vrienden, politieagenten en journalisten probeerden Harry ook te overtuigen te vertrekken, maar hij vertrouwde op de plek die hij al tientallen jaren kende.
Het opvallendst was dat Harry zelfs de kans had om weg te komen. Op 14 mei verliet hij het gebied per helikopter om een school in Oregon te bezoeken, maar daarna besloot hij terug te keren naar zijn lodge en zijn dieren. Drie dagen later probeerden ze hem nog steeds te overtuigen te evacueren. Hij weigerde opnieuw.
Om 8:32 uur in de ochtend op 18 mei 1980 veroorzaakte een aardbeving de instorting van de noordflank van Mount St. Helens en een verwoestende uitbarsting. De lawine bereikte Spirit Lake en de plek waar Harry’s huis stond, werd bedolven onder vulkanisch puin. Hij en zijn katten stierven daar en hun stoffelijke resten werden nooit teruggevonden.
De uitbarsting eiste 57 slachtoffers en veranderde dat gebied voorgoed. Harry werd echter een van de meest herinnerde gezichten van de tragedie. Hij bleef niet omdat niemand hem voor het gevaar had gewaarschuwd. Hij bleef omdat hij zich op 83-jarige leeftijd niet kon voorstellen het huis, de berg en de dieren die al tientallen jaren deel uitmaakten van zijn leven achter te laten.
