Eduardo Zambrano liep urenlang door de straten van Ecuador, op zoek naar iets wat geld bijna nooit op tijd weet te bieden: de medicijnen van zijn dochter.
Het meisje verkeert in een kwetsbare gezondheid en vecht tegen kanker die geen verlichting biedt, en elke dosis van haar behandeling hangt af van iemand van buitenaf die erin slaagt het wonder te verrichten om die te vinden en te betalen.
Eduardo had ze weten te bemachtigen. Hij was onderweg terug met de medicijnen in zijn handen toen meerdere dieven hem onderschepten en hem alles afnamen: het geld dat hij nog over had, de medicijnen die hem zoveel moeite hadden gekost om bijeen te krijgen, zelfs de schoenen die hij droeg.
Ze lieten hem midden op straat staan, met niets, geconfronteerd met dezelfde urgentie als daarvoor, maar zonder enig middel om die op te lossen.
Nu weet Eduardo niet hoe hij opnieuw moet verkrijgen wat hij eenmaal al had weten te bemachtigen. Zijn dochter wacht nog steeds op behandeling, en het enige wat hij kan doen is om hulp vragen om te vervangen wat vreemden hem in enkele minuten hebben afgenomen.
De vraag die blijft hangen is eenvoudig en pijnlijk: wat voor iemand steelt er van een vader die zich haast om zijn dochter te redden?
