Voor de meeste mensen is het idee van tientallen gaten in de huid waaruit levende wezens tevoorschijn komen het plot van een horrorfilm; in de diepten van de tropische regenwouden van South America is dit echter gewoon weer een dinsdag voor de Surinam toad (Pipa pipa).


In tegenstelling tot andere padden die hun eieren in het water leggen en weggaan, draagt de Surinam toad het moederschap op haar rug.
Tijdens de paring plaatst het mannetje de bevruchte eieren op de rug van het vrouwtje. Hier begint de magie: de huid op de rug van de moeder begint op te zwellen en groeit rond de eieren, waardoor ze vast komen te zitten in een soort cellen of zakjes van drijvende huid.
In de volgende vier maanden veranderen de eieren niet in gewone kikkervisjes. Ze ontwikkelen zich volledig tot kleine padden in de huid van hun moeder.
Wanneer het tijd is om te bevallen, beginnen de kleine padden één voor één onder de huid te bewegen en te duwen totdat ze door het oppervlak breken en rechtstreeks uit de gaten het water in schieten.
Het beeld van geperforeerde huid die beweegt en dieren uitstoot, is wat bij mensen onmiddellijk trypofobie oproept.
