Hij beweegt niet. Hij ademt niet. Volgens alle logica is hij dood. En toch, zodra je je hand dichtbij brengt, klappen zijn kaken dicht met genoeg kracht om je vingers te verbrijzelen.

De zeewolf is een koudwatersoort met kaken die ontworpen zijn om schelpen en slakken te kraken. Wat hem zelfs buiten het water zo gevaarlijk maakt, is een mechanisme dat hij deelt met veel gewervelde dieren: het zenuwstelsel schakelt niet in één keer uit. Nog een tijdje na de dood blijven de spieren reageren op externe prikkels via onwillekeurige reflexen. Het aanraken van de kaak van een pas gevangen zeewolf — of zelfs van een exemplaar dat al minuten dood is — kan die reflex in een fractie van een seconde opwekken. Tientallen beroepsvissers hebben dit op de harde manier geleerd: met geamputeerde vingers of zwaar verwonde handen.

De meest voorkomende fout is aannemen dat een dier dat niet meer beweegt ook geen enkel risico meer vormt. Ervaren vissers hanteren deze soorten nooit met blote handen; ze gebruiken tangen, haken of verstevigde handschoenen omdat ze weten dat één enkele reflexbeet hun leven voorgoed kan veranderen. De kalmte van een dode zeewolf is geen teken dat hij ongevaarlijk is: het is juist de val.
